Policing propaganda

Bron: The Economist Nr. 48

Democracy and the internet
Policing Propaganda

The New York Times noted in 1859 that the telegraph was doing a lot to clean up politics. “The telegraph gives the speaker in the furthest East or West an audience as wide as the Union”, it wrote. That made it harder for politicans to promise to relax drinking laws in one city and impose Prohibition in another.

A century and a half later the internet, the telegraph’s distant descendant, has once again transformed politics. Social networks have become the platforms of choice for politicians hoping to get their messages out and to give their oppononents a kicking. The results can be seen in both the American and British elections. Online advertising, modest a decade ago, now accounts for around half the total.

This time there is less happiness about the results. Elizabeth Warren, a contender for the American presidency, has accused Facebook of “taking money to promote lies”, referring to the social network’s decision not to pass judgment on the content of the political ads it shows to its users. (To demonstrate her point, Ms Warren bought an ad stating, falsely, that Mark Zuckerberg, Facebook’s boss, had endorsed Donald Trump for re-election.) In Britain the ruling Conservative Party has embraced disinformation. During a televised debate on November 19th, the party’s Twitter account rebranded itself as “factcheckUK”, in an attempt to present party-political talking-points as disinterested truth. All this is merely one part of a greater worry that the internet, far from being a benevolent source of useful information, has become a swamp of lies, misdirection and conspiracy theories that is harming politics.

Spooked – especially by the irritiation of American politicans, who regulate them – some tech firms have changed their rules. Twitter is to ban nearly all political advertising. Google, which owns YouTube, says it will ban ads that make egregiously false claims, and restrict the precision with which political ads can be aimed at specific groups of people. For now, Facebook is sticking to its guns, saying it will not regulate political speech – though there are signs it is wavering (see United States section).

Mr Zuckerberg is an unpopular man these days. Yet in this case he is right. The rules of digital democracy should not be set by unaccountable bosses in the boardrooms of a handful of American firms – let alone, in future, Chinese ones. If politicans want to change the behaviour of candidates, the levers are in their hands. It is their job to make the laws under which everyone else – technology firms included – must operate.

Partisan rancour and short-term self-interest, particulalry in America, may make that difficult. But history offers hope. Politicans have agreed in the past on whether and how to regulate other media technologies such as radio, television and newspapers. The rules created for analogue democracies offer a relatively uncontraversial starting-point for digital ones. In America, for instance, the source of political television ads must be disclosed. The same should be true online. Facebook’s decision to stand back looks more in keeping with the traditions of American democracy than Twitter’s or Google’s commitment to step in. Britain is much stricter. Political advertising is mostly banned on television and radio, with the exceptions of a limited number of tightly regulated “party-political broadcasts”. Again, it is not clear why the rules for online videos should be more relaxed than those for pitches that appear on television.

New media offer new possibilities and hence raise new dangers. One is the ability to run “microtargeted” ads, aimed at small groups thought to be most receptive to their message. To the extent that it helps politicians deal with particular worries among voters, this can be benificial. If abused, though, it could amplify exactly the sort of two-faced campaigning the telepgraph was supposed to have banished.

It is too soon to limit microtargeting. Not only would it be hard to draw clear lines but, more important, politicans should be reluctant to ban each other’s speech. As a first step, they should enforce transparancy, ensuring that even narrowly targeted ads are available for anyone to examine. Rival politicans will have incentives to dig up evidence of foul play by their opponents, helping keep everyone honest. The tech giants are already making similar moves voluntarily. That could make it easier to convert them into legal requirements.

Another difference between old media and new is that the tech firms are planet-spanning in a way that newspapers and television never were. Democracy, though, remains a local affair. America and Britain have different traditions; those of France, Australia or Inda are different again. If governments decide to tighten the rules around online advertising – and perhaps attempt to drain the digital swamp more broadly – the result will be a profusion of local laws for the tech firms to comply with. That will be a burden, but it is the price of success.

Democratie en het internet
Bestrijding van propaganda

De New York Times merkte in 1859 op dat de telegraaf flink bijdroeg aan eerlijkere politiek. De krant schreef: “De telegraaf bezorgt sprekers in de oostelijke en westelijke uithoeken een publiek zo groot als de Unie.”. Dat maakte het moeilijker voor politici om in de ene stad te beloven de wetten voor alcoholconsumptie te versoepelen en in de andere stad de Drooglegging te handhaven.

Anderhalve eeuw later heeft het internet, een verre nazaat van de telegraaf, opnieuw ingrijpend de politiek veranderd. Sociale media zijn hét platform geworden voor politici om hun boodschap te verkondigen en hun tegenstanders een spreekwoordelijk pak rammel te geven. De gevolgen hiervan voor de Amerikaanse en Britse verkiezingen tekenen zich duidelijk af. Terwijl online reclamecampagnes tien jaar geleden nog een marginaal verschijnsel waren, zijn ze nu goed voor de helft van het totaal.

Nu is men echter minder gelukkig met de gevolgen. Elizabeth Warren, in de race voor het Amerikaanse presidentschap, heeft Facebook ervan beschuldigd “geld aan te nemen om leugens te promoten”. Hierbij refereerde zij aan de beslissing van het bedrijf om niet te oordelen over de inhoud van politieke advertenties die aan hun gebruikers worden getoond. Om haar punt kracht bij te zetten, kocht Warren een advertentie waarin (valselijk) werd gesteld, dat Mark Zuckerberg, de baas van Facebook, de herverkiezing van Donald Trump steunt. In Groot-Brittannië heeft de heersende Conservatieve Partij de desinformatie omarmd. In een poging hun partijpolitieke standpunten als objectieve waarheid te verkopen, doopte het Twitter-account van de partij zichzelf tijdens een televisiedebat op 19 november om tot “factcheckUK”. Dit is allemaal onderdeel van de grotere zorg dat het internet, verre van een goedaardige bron van handige informatie, een moeras geworden is van leugens, misleiding en complottheorieën en daarmee schade toebrengt aan het politieke proces.

Geschrokken – vooral door de ergernis van de Amerikaanse politici die hen reguleren – hebben sommige techbedrijven hun regels aangepast. Twitter gaat vrijwel alle politieke advertenties verbieden. Google, eigenaar van YouTube, zegt advertenties met flagrante leugens te zullen verbieden en de precisie waarmee politieke advertenties op specifieke groepen gericht kunnen worden, te gaan beperken. Facebook houdt voorlopig vast aan zijn standpunt dat het politieke uitingen niet zal reguleren – hoewel er tekenen zijn van twijfel (zie het katern Verenigde Staten).

Mark Zuckerberg is momenteel niet erg populair, maar in dit geval heeft hij gelijk. De regels voor digitale democratie zouden niet bepaald moeten worden door de bazen in bestuurskamers van een handvol Amerikaanse – laat staan Chinese – firma’s die geen verantwoording hoeven af te leggen. Politici hebben de touwtjes in handen als zij het gedrag van hun kandidaten willen veranderen. Het is hun taak wetten te maken die voor iedereen gelden, inclusief techbedrijven.

Stammenstrijd en kortzichtig eigenbelang , vooral in Amerika, kunnen dit lastig maken. Maar de geschiedenis biedt hoop. Politici zijn in het verleden tot overeenstemming gekomen hoe ze andere mediatechnologieën zoals radio, televisie en kranten, kunnen reguleren. Regels die zijn gecreëerd voor analoge democratieën, bieden een relatief onbetwist startpunt voor de digitale werkelijkheid. In Amerika moet de bron van politieke tv-reclames bijvoorbeeld altijd worden vermeld. Hetzelfde zou online moeten gelden. Het besluit van Facebook om niets te doen, past meer binnen de Amerikaanse democratische traditie dan dat van Google en Twitter om wél in te grijpen. In Groot-Brittannië zijn de regels veel strenger. Politieke reclamecampagnes op radio en televisie zijn grotendeels verboden, met uitzondering van een beperkt aantal strak gereguleerde “partijpolitieke uitzendingen”. Nogmaals, het is niet duidelijk waarom de regels voor online video’s minder streng zouden moeten zijn dan die voor uitzendingen op televisie.

Nieuwe media bieden nieuwe mogelijkheden en dus nieuwe gevaren. Eén ervan is microtargetting, een online marketingstrategie gericht op een groep gelijkgestemde individuen die worden geacht open te staan voor de boodschap. Voor zover dit wordt ingezet door politici om te reageren op specifieke zorgen die leven onder kiezers, kan dit positief uitpakken. Maar bij misbruik kan het precies het soort misleidende campagnes een podium geven, die door de uitvinding van de telegraaf waren uitgebannen.

Het is te vroeg om microtargetting te beperken. Het zou niet alleen moeilijk zijn om duidelijke grenzen te trekken, maar nog belangrijker, politici zouden terughoudend moeten zijn om elkaar te belemmeren in hun uitingen. Als eerste stap zouden ze transparantie kunnen afdwingen om op specifieke doelgroepen gerichte advertenties controleerbaar te maken voor iedereen. Rivaliserende politici hebben dan een drijfveer om bewijzen van vuil spel door tegenstanders op te graven en dat noopt tot eerlijkheid. De techbedrijven implementeren soortgelijke regels al op vrijwillige basis. Dat kan het makkelijker maken om deze regels wettelijk vast te leggen.

Nog een verschil tussen oude en nieuwe media, is dat de techbedrijven op een wereldwijde schaal opereren die door kranten en televisie nooit is geëvenaard. Democratie blijft echter een lokale kwestie. Amerika en Groot-Brittannië hebben verschillende tradities; die van Frankrijk, Australië of India zijn wéér heel anders. Als overheden besluiten om de regels voor online adverteren aan te scherpen – en misschien proberen het digitale moeras in bredere zin droog te leggen – zal er voor techbedrijven een woud aan lokale regels ontstaan om zich aan te houden. Dat is een zware last, maar het is de prijs van succes.